We staan aan de vooravond van nieuwe verkiezingen voor gemeenteraad en Tweede Kamer. Alles bepalend daarbij is de landelijke politiek. Politici in de gemeenteraad worden nog steeds afgerekend op de resultaten van hun collega's in de Kamer. Een hardnekkig probleem. Het lijkt wel of het er weinig toe doet wat politieke partijen op gemeentelijk niveau presteren.

 
Het geeft trefzeker het gebrek aan betrokkenheid bij de lokale politiek van menig kiezer weer. Dat is natuurlijk jammer en niet goed, maar deels te wijten aan de lokale politici zelve. Maar al te graag schuilen zij achter de brede rug van hun landelijke partijleider en leveren ze hun bijdrage aan de nog steeds voortgaande schaalvergroting. Onlangs werd ik in het Gelderse Rheden geconfronteerd met zo'n staaltje schaalvergroting. De gemeente is een samenraapsel van een aantal dorpen. De wethouder van de PvdA bestaat het om in het dorp Dieren een scholengemeenschap van 1500 leerlingen in het basisonderwijs van de grond te krijgen. Er wordt een nieuw, groot, non-descript gebouw neergezet, er moeten 'verkeersafwikkelingsplannen' worden gemaakt en al die mooi gelegen dorpsschooltjes gaan dicht. Het splijt de gemeentepolitiek, en menig dorpsbewoner is op tilt geraakt, maar de schaalvergroting gaat gewoon door.

Alle middelgrote partijen -grote politieke partijen kennen we niet meer- hebben hun programma's voor de Tweede Kamerverkiezingen gepresenteerd en de landelijke rekenmeester rekent ze inmiddels ijverig door op hun financiële consequenties. Alle partijen die ertoe doen, zijn er zeer op gebrand om een goed stempel te krijgen van de rekenmeester. Dat is het enige wat echt telt.

Hollandser kan het niet, dat gebedel om een seculier financieel nihil obstat. De inhoud van de programma's doet er kennelijk veel minder toe, als het financieel maar klopt. De inhoud van de programma's van die partijen is van een weerzinwekkende grijs- en lafheid. Een grote woordendiarree waarin onverenigbare verlangens met elkaar worden verenigd. Lekker economisch groeien, veel ruimtebeslag, maar dat alles wel met ontziening, nee, zelfs verbetering van het milieu.

Dat er spanning tussen beide doelstellingen is, wordt genegeerd, laat staan dat de kiezer pijnlijke keuzes worden gepresenteerd. Geen van de partijen grijpt bij het aanbreken van een nieuw millennium aan om de ruwe contouren te schetsen van een samenleving die hun voor ogen staat. Dat wordt overgelaten aan opinievormers, zodat men een unieke kans laat lopen. De wijze waarop grotere partijen met drie centrale problemen in het volgende millennium willen omgaan, zou het frame kunnen leveren voor de nagestreefde Nederlandse samenleving. De drie centrale problemen zijn:

1. De globalisering van onze economieën op golven van de revolutie van de informatietechnologie. Wat betekent die voor de inrichting van de verzorgingsstaat, voor de structuur van de arbeidsorganisaties, voor de samenlevingsverbanden en voor het collectief beleefde stelsel van normen en waarden.

2. Wat doen we met hen die verblijven in de onderklasse, hoe vergroten we hun kansen op betaald werk, hoe brengen we de doelstelling van volledige werkgelegenheid naderbij en hoe versnellen we het integratieproces van mensen van buitenlandse herkomst, dikwijls afkomstig uit voor ons vreemde culturen?

3. hoe vangen we de bevolkingsaanwas op in ons overbevolkte land? Past het positioneren van Nederland als distributieland daarin of is het beter over te schakelen naar dienstverlening op het terrein van informatietechnologie? Hoe zorgen we ervoor dat het land niet dichtgroeit met gebouwen, wegen en andere infrastructuur, kortom hoe gaan we minder verspillend om met schaarse grond?

Dit zijn de belangrijke vraagstukken waarop we een samenhangende visie zouden willen zien van onze politieke partijen. De manier waarop wordt aangekeken tegen deze problemen en de oplossing daarvan, leveren boeiende stof op waarin ongelofelijk veel valt te kiezen. De kiezer zou direct bij de les zijn. Het gaat immers om de contouren van economie en samenlevingen, en om de vormgeving daarvan in de gebouwde structuur. Wat is daarin zijn plaats en wat zijn zijn perspectieven? Uit de programma's van de partijen spreekt wel een zeker bewustzijn van deze problemen. Een visie ontbreekt echter ten enenmale, zoals het paars - behoudens op Economische Zaken- aan elke visie ontbreekt. Er valt dus niet echt iets te kiezen. Een beetje meer liberaal (VVD) of een beetje meer sociaal uit de oude doos (PvdA, CDA en D66). Zelfs het CDA pakt het centraal stellen van normen en waarden niet aan om daaruit radicale keuzes af te leiden. Kortom, u wordt na mei 1998 door de kat of de hond gebeten, veel maakt het allemaal niet uit.

 
Elsevier, 20 december 1997